Middelen bij gestoorde schildklierwerking

De schildklier is een orgaan dat in de hals ligt en dat zorgdraagt voor het algemene niveau van de stofwisseling van het lichaam. Hiertoe maakt de schildklier de zogenoemde schildklierhormonen liothyronine (ook wel aangeduid als T3 of trijoodthyronine) en levothyroxine (T4 of tetrajoodthyroxine) waarvoor opname van voldoende jodium met de voeding noodzakelijk is. De hoeveelheden van deze stoffen die de schildklier maakt, worden bepaald door een uit de hypofyse (hersenaanhangsel) afkomstig hormoon, de thyrotrofine ofwel TSH (‘thyroid stimulating hormone’). De afgifte van dit hormoon wordt op zijn beurt weer bestuurd door een stof ‘van hogerop’ uit de hersenen (vanuit de hypothalamus), het TRH (‘thyrotropin releasing hormone’). In dit geheel zijn terugkoppelingsmechanismen ingebouwd waardoor de algemene stofwisseling van het lichaam zeer nauwkeurig kan worden geregeld.

Direct vanaf de geboorte dienen de schildklierhormonen in voldoende mate aanwezig te zijn, omdat ze onontbeerlijk zijn voor de normale ontwikkeling van de hersenen, de groei van het lichaam en een goede regeling van de stofwisseling.

Een allereerste vereiste voor een goede werking van de schildklier is de opname (met de voeding of op andere wijze) van voldoende jodium. Bij gebrek aan jodium ontstaat vergroting van de schildklier: krop of struma. Indien dit tekort aan jodium ernstig is en zowel vóór als na de geboorte bestaat, kunnen de hersenen zich onvoldoende ontwikkelen en ontstaat er dwerggroei (cretinisme).

Als dit bijtijds wordt ontdekt, kan toediening van jodium erger voorkomen.

Omdat op bep’sfalde plaatsen in ons land het drinkwater niet genoeg jodium bevat om een goede werking van de schildklier te waarborgen, is een tijd lang jodium toegevoegd aan het keukenzout. Een aantal jaren geleden heeft men besloten deze toevoeging achterwege te laten. Naar het schijnt neemt het aantal gevallen van krop sindsdien weer enigszins toe.

Ook om andere niet altijd even duidelijke redenen maakt de schildklier soms onvoldoende hormonen. De stofwisseling is dan te traag. De patiënt is langzaam in alle bewegingen, kouwelijk, heeft vaak last van verstopping, de hartfrequentie is laag en de huid is droog. In ernstige gevallen kan ook verdikking van bepaalde weefsels optreden (myxoedeem) en zelfs verlies van het bewustzijn. De schildklier kan vergroot zijn.

Bij te sterke werking van de schildklier (ziekte van Basedow) zijn de klachten tegenovergesteld. Een snelle stofwisseling kan leiden tot onrust, zenuwachtigheid, slecht verdragen van warmte, overmatig zweten, vermagering, diarree en bovendien uitpuilende ogen. Evenals bij een te geringe werking kan ook bij een te sterke werking de schildklier vergroot zijn.

Bij een te geringe werking van de schildklier worden schildklierhormonen voorgeschreven in een zodanige hoeveelheid dat normale concentraties van deze stoffen in het bloed aanwezig zijn en de stofwisseling op het gewone niveau werkt. Voor elke patiënt moet de dosering individueel worden vastgesteld. Deze aanvullingsbehandeling is levenslang. Doorgaans behoeft de dosering zelden of nooit wijziging wanneer men eenmaal goed is ‘ingesteld’. Na het begin van de therapie duurt het één tot ongeveer zeven dagen voordat de werking intreedt. Geleidelijk wordt de dosering verhoogd totdat de juiste hoeveelheid is gevonden. Tot voor kort werd uitsluitend schildklierpoeder (Thyranon) gebruikt, dat wordt bereid uit de schildklieren van slachtvee. De laatste jaren is er in toenemende mate de neiging de schildklierhormonen zelf toe te passen, levothyroxine (Thyrax) en liothyronine (Cytomel).

De maximale werking van levothyroxine wordt pas na één tot twee weken bereikt. Liothyronine begint reeds enkele uren na inname te werken en bereikt zijn maximale werking na twee tot drie dagen. Bij een goede instelling op deze hormonen treden geen bijwerkingen op. Als de patiënt reeds andere geneesmiddelen (door de mond in te nemen antistollingsmiddelen en bloedsuikerverlagende middelen, hartversterkende middelen en insuline) gebruikt bij het begin van de behandeling met schildklierhormoon, dan kan het nodig zijn de dosering van die middelen aan te passen. Bij overdosering van deze schildklierhormonen treden dezelfde verschijnselen op als bij een te sterke werking van de schildklier: onder andere zweten, versnelde polsslag en diarree. Bij patiënten met hartklachten is er een kans op aanvallen van hartkramp of een hartinfarct.

De behandeling van een te sterke schildklierwerking kan bestaan in toediening van stoffen die de aanmaak van schildklierhormoon remmen, operatieve verwijdering van vrijwel de gehele schildklier en toediening van radioactief jodium. Hierdoor wordt een gedeelte van het schildklierweefsel vernietigd. In dit verband worden alleen de stoffen besproken die de aanmaak van schildklierhormoon verminderen.

Deze stoffen zijn methylthiouracil, propylthiouracil, carbimazol (Basolest) en thiamazol (Strumazol). Deze middelen hebben een betrekkelijk korte werkingsduur. Ze moeten daarom elke acht uur worden ingenomen, soms nauwkeurig elke zes uur.

Evenals gebrek aan jodium kan langdurig gebruik van deze stoffen leiden tot vergroting van de schildklier. Om deze reden wordt het gebruik van deze stoffen soms gecombineerd met dat van de schildklierhormonen. Na een jaar wordt het gebruik van deze middelen vaak geleidelijk gestaakt.

Als de verschijnselen dan opnieuw optreden, dan is vaak een andere methode van behandeling noodzakelijk. Als voorbereiding op de operatie waarbij de schildklier wordt verwijderd, wordt men meestal behandeld met kaliumjodide oplossing en een van de eerder genoemde stoffen. Hierdoor neemt de bloedrijkdom van de schildklier af en wordt de operatie gemakkelijker en dus veiliger.

Bijwerkingen van genoemde stoffen kunnen zijn: daling van het aantal witte bloedlichaampjes in het bloed (met kans op ernstige infecties), geelzucht en huidreacties door overgevoeligheid. Wanneer klachten over koorts of keelpijn tijdens het gebruik van deze stoffen ontstaan, moet men onmiddellijk met de behandelende arts contact opnemen.